Historiek door Emiel Lavigne                       

Toen ik in 1947 in Sint-Truiden belandde, werd er op twee plaatsen gebridged: één groepje van 4 bij directeur Feyen van het College speelde het zogenaamde "plafond". Een andere groep bestond uit leraars van het Atheneum. Robert Belet had enkele ideeën over bridge uit Antwerpen meegebracht, zonder tekst of uitleg, een systeem dat Sterke Klaveren werd genoemd. Wij speelden af en toe op een zondagnamiddag, als er geen voetbal was, of bij slecht weer. Veel kennis of kunde kwam er niet aan te pas.

1952 bracht verandering. Robert en ik volgden een vakantiecursus in Amsterdam ( niet over bridge!). Op een avond gingen we eens op verkenning in een bridgelokaal en kregen gelegenheid om tegen twee dames te spelen. Ik had achter mijn rug al eens gehoord: " Ze seinen niet". Toen ik bij het schudden van de kaarten een kaart liet vallen, kreeg ik te horen: "De kaarten spelen met u." Ze hadden gelijk, maar het werd een nuttige les. ’s Anderendaags kochten we een paar boeken over bridge, systemen en techniek. Het systeem heette Acol, maar werd nadien grondig gewijzigd en op punt gezet door Berry Westra.

Een volgende stap: met bridgepartner werd ik uitgenodigd op een tornooi in Leuven. Toen we onze plaats hadden ingenomen, werd op tafel een bord gezet met aanduiding N – Z, O – W. Men zei ons de kaarten bij te houden en na het afspelen ze op de juiste plaats terug te steken en het bord over te brengen naar een andere tafel. Achteraf werd een klassement opgemaakt, zoals we nu gewoon zijn. Wij in Sint-Truiden wilden ook zo doen en we nodigden 12 paren uit in de Astoria. Het nodige aantal spellen kochten we en de borden vervingen we door enveloppen. Croes – Weytjens, onbetwistbaar het beste Limburgs koppel van die tijd won. Sint – Truiden had het voorbeeld gegeven; sindsdien wordt elk tornooi met borden gespeeld. Vroeger speelden de paren tot één paar twee manches had gewonnen en een andere tegenstander voorgeschoteld kreeg. Deelscores moesten aangevuld worden tot men de 100 manchepunten had verzameld. Het kon dus een tijdje duren. Niet de beste won, maar degene die de beste kaarten kreeg en ze goed gebruikte.

In die jaren kwamen ook meer clubs tot stand en ook een viertallencompetitie met Hasselt ( Peut – Peut, Langeman en Brimes ), Beringen, Zwartberg ( dat later Withofs werd ), Sint –Truiden, Geel en Wezel. Wij hadden geen clublokaal en ontvingen die viertallen aan huis.

Maar we groeiden en moesten op zoek naar een lokaal. Onze eerste plaats: het parochiehuis van Sint – Gangulfus. Het was er zelfbediening; in de winter zette de kapelaan, die naast het lokaal woonde, de verwarming af wanneer hij naar bed ging. We vertrokken naar Schurhoven, ook een parochiezaal en ook met zelfbediening. Met Allerheiligen stond het daar vol met chrysanten en die verdroegen geen warmte. Het Kaarthuisje ving ons op tot in de keuken, waar de soep nog gaar kookte.We verhuisden naar taverne Majestic op de Grote Markt, daarna hotel Atlantis, De Volksmacht, de cafetaria van BFV en nu taverne Panderosa.

We richtten tornooien in o.a. op de Veemarkt, in het Cultureel Centrum, in de cafetaria van BFV en namen jarenlang deel aan de viertallencompetitie van district en liga.